Keynote lezing Wim van den Brink

Recente ontwikkelingen in het denken over verslaving en de behandeling van verslaafden: van medicatie naar neuromodulatie en van praten naar trainen. Prof. dr. Wim van den Brink, Hoogleraar Verslavingsonderzoek AMC-UvA

In de laatste twee eeuwen is het denken over verslaving aan grote veranderingen onderhevig geweest. In het begin van de 19e eeuw werd verslaving vooral gezien als morele zwakte en werden verslaafden opgesloten in heropvoedingsgestichten en gevangenissen (morele model).
In de tweede helft van de 19de eeuw en in het begin van de 20e eeuw werden alcohol en andere potentieel verslavende stoffen als zeer gevaarlijk gezien en was men van mening dat mensen tegen de invloed van deze stoffen moesten worden beschermd door de beschikbaarheid daarvan terug te dringen (farmacologisch model).
In de periode voor de Tweede Wereldoorlog werd verslaving vanuit het psychoanalytisch perspectief vooral gezien als een symptoom van een onderliggende persoonlijkheidsstoornis en werd de nadruk bij de behandeling gelegd bij inzichtgevende psychotherapie (symptomatische model).
Na de Tweede Wereldoorlog werd verslaving steeds meer gezien als ziekte en de ontdekkingin 1947 van disulfiram betekende een belangrijke steun voor de waarde van dit nieuwe model (ziektemodel).
In de jaren 70 van de 20e eeuw wordt verslaving vanuit de psychologie gezien als ongepast aangeleerd gedrag dat door middel van gedragstherapie ook weer af te leren zou moeten zijn (leermodel).
Tenslotte  werden in diezelfde periode door sociologen modellen gepresenteerd waarbij verslaving vooral werd gezien als een relatief normale reactie op een abnormale of stressvolle omgeving (sociale model).
Op basis van al deze ontwikkelingen werd in 1976 door Edward en Gross het biopsychosociale model van verslaving gepresenteerd en werd de term verslaving vervangen door afhankelijkheid. Sinds het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw krijgt het neurobiologische element van het biopsychosociale model steeds meer aandacht en wordt er steeds vaker gesproken van verslaving als hersenziekte. De belangrijkste overwegingen zijn daarbij dat verslaving een belangrijke genetische component heeft, dat deze genetische kwetsbaarheid zich vertaalt in neurobiologische risicofactoren die door middel van beeldvormend onderzoek van hersenen zichtbaar kunnen worden gemaakt en door middel van neurobiologische interventies kunnen worden beïnvloed.
Op basis van deze nieuwe kennis over de neurobiologie van verslaving zijn binnen de geneeskunde nieuwe medicijnen voor de behadneling van verslaving ontwikkeld en in de praktijk getest. Recent zijn ook meer directe vormen van hersenbeïnvloeding ontwikkeld voor de behandeling van verslaving. Het gaat daarbij vooral om verschillende vormen van neuromodulatie, zoals EEG-neurofeedback, transcraniële magnetische stimulatie (TMS) en diepe hersenstimulatie (DBS). Deze interventies worden op dit moment op hun effectiviteit en veiligheid onderzocht.
Daarnaast heeft zich ook in de psychologie een belangrijke ontwikkeling voorgedaan. Van inzichtgevende psychotherapie is de aandacht de laatste jaren sterk verschoven in de richting van cognitieve gedragstherapie, terwijl er bij deze laatste vorm van therapie de laatste jaren steeds meer nadruk is komen te liggen op gedragsverandering via vaardigheidstrainingen en beloning. Recent komt er bovendien steeds meer nadruk op het trainen van impliciet (onbewuste) processen die aan het verslavingsproces ten grondslag liggen.
Al met al lijken niet alleen onze modellen over verslaving sterk te zijn veranderd maar ook de manier waarop we denken verslaafden het beste te kunnen behandelen. In deze voordracht wordt een overzicht gegeven van deze ontwikkelingen en van de mogelijkheden en de risico's die daaraan verbonden zijn.

Locatie

indedriehoek

FADO wordt georganiseerd in het prachtige zalencentrum In De Driehoek te Utrecht


> Meer informatie